Op school

OpenDoor op school 2: met Fouad in Breda

Stichting OpenDoor werkt inmiddels op 22 scholen in heel Zuidwest-Nederland. De aanpak slaat aan. Wat is de sleutel achter dat succes? Journalist Tim van Boxtel liep mee in Breda en Bergen op Zoom. Vandaag deel twee van dit drieluik, waarin Fouad ons laat zien waarom de leerlingen niet willen gymmen.

AMV

Als ik het schoolplein van Curio isk in Breda op loop, staan overal groepjes jongens. Alleenstaande minderjarige vluchtelingen, die in de Koepel en in Oosterhout wonen. Sommigen trappen tegen een bal, anderen hangen samen wat rond. Zorgverbinder Fouad van OpenDoor komt er zo aan.
 

Geen gym in thuisland

Hij heeft het deze ochtend razend druk. In eerste instantie met het motiveren van jongeren, die opvallend genoeg geen zin hebben in hun gymles. Zo vraagt een docent hem om hulp: een jongen weigert te gymmen en blijft koppig in het klaslokaal zitten. “Ze snappen niet dat ze op school moeten sporten. Dat willen ze niet, zeker niet omdat ze maar een setje kleren hebben en daar dan in moeten zweten. In hun thuisland kregen ze geen gymles.”
 
Hij legt ze uit: het is meedoen of terug naar huis. De jongen loopt uiteindelijk toch schoorvoetend naar de sportruimte. “Ze komen met excuses als: ik heb last van dit of dat, voel me niet lekker, het stinkt in die gymzaal.”
 
Het kledingprobleem is overigens deels opgelost: Stichting OpenDoor en Curio hebben samen met Stichting voetbal SPORT Kruisland, het Oranje Fonds, Opleidingscentrum West-Brabant speciale gymshirts laten maken voor de leerlingen.
 

Eigen ervaring

Het klinkt tegenstrijdig, maar vervolgens haast Fouad zich juist naar de gymzaal. Daar is het een stuk drukker dan normaal. Twee klassen zijn samengevoegd. Aan de ene kant van het zaaltje speelt een groepje volleybal, aan de andere kant is een deel aan het voetballen. De docent heeft haar handen vol. Achterin liggen in een hoek een paar jongens op een matje. Die willen niet meedoen.
 
Fouad probeert ze te motiveren, spreekt ze in hun moedertaal aan. “Ik ben opgegroeid op de straat. Ik ben Marokkaans, ik heb ook een kleurtje. En ik spreek Arabisch. Dat helpt allemaal om ze te laten merken dat ik weet hoe het werkt, hoe ze denken. We krijgen een vertrouwensband, waardoor ik ze echt kan helpen.” Hij gebruikt zijn eigen ervaring, Fouad was profvoetballer. “Ik moest me ook aanpassen toen ik op Cyprus ging spelen. Dat is belangrijk. Je bent niet meer in Syrië, je zult je moeten aanpassen.”
 

 

Lang wachten op IND

 
De zorgverbinder rijdt geregeld langs de plekken waar de jongeren wonen, de Koepel of in Oosterhout. Om ze op te pikken, als ze niet op school zijn of om met ze te praten. “Zij hebben echt de hel meegemaakt onderweg. Ze hebben vrienden zien doodgaan. Een jongen was zijn broer, diens vrouw en al zijn neefjes en nichtjes verloren, toen hun boot zonk. Zijn ouders zaten nog in Syrië. Hij zat hier helemaal alleen.”
 
De leerlingen, ook wel bekend als alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV) wachten op een gesprek met de Immigratie- en Naturalisatiedienst, die beoordeelt of zij in Nederland mogen blijven. Als dat zo is, verhuizen ze naar elders in het land en hopen ze op gezinshereniging. “Ik probeer ze uit te leggen waarom het toch al belangrijk is om naar school te gaan en de taal te leren. Wat als je ouders hierheen komen, ze ziek zijn en naar de dokter moeten? En wat als je wilt werken? Dan moet je de taal ook spreken.” Een deel is gemotiveerd, een ander deel wat minder. “Ze wonen allemaal samen, dus beïnvloeden elkaar ook.”
 
Fouad moet weer door naar een volgend gesprek. Hij schiet de jongen die niet wilde gymmen nog even aan. “Doe je best hè, de docent is niet blij met je vandaag.” De jongen knikt.
 
In het derde deel van dit drieluik praat ik met Rogier Raeijmaekers, onder meer over de samenwerking met Stichting OpenDoor. Rogier is onderwijsmanager van het isk. Dat was hij eerst in Bergen op Zoom en tegenwoordig in Breda. Eerder sprak ik al met Achraf, die vier jaar geleden namens OpenDoor het eerste project op school deed.